Organisatie

Conceptbod RES

Variant A Variant B Variant C

Variant 3 - Vrije Vogels en lokale initiatieven


Deze variant beperkt zich tot twee windclusters op locaties waar windenergie al in ontwikkeling is. De rest van de regio, waaronder het bosrijke deel van de Veluwe en de Randmeerzone, blijft vooralsnog vrij van windclusters. Wanneer er lokale initiatieven zijn vanuit dorpen en buurten geeft deze variant wel ruimte aan circa tien dorpsturbines verdeeld over de regio.

Er wordt maximaal ingezet op perspectief voor locaties met overtollige bebouwing, bijvoorbeeld vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) of percelen (VAP). Als deze locaties worden gesaneerd of getransformeerd kunnen in combinatie met de ontwikkeling van zonnevelden, kleinschalige landschappen waar mogelijk hersteld en versterkt worden. Windturbines en zonnevelden vinden met name een plek in de Veluwerand en het kleinschalige agrarische landschap. Bij knooppunt Hattemerbroek en bij bedrijverterrein Lorentz wordt wind en zon zoveel mogelijk gecombineerd waardoor er daar energielandschappen ontstaan gekoppeld aan duurzame bedrijfsterreinen.


Kansen

  • Lokale participatie wordt maximaal benut; waar initiatieven zijn, ontstaan ‘eigen’ dorpsmolens en zonnevelden, juist omdat de ontwikkelingen plaatsvinden in de zone waar de meeste mensen wonen.
  • De Randmeerkust en het bosrijke deel van de Noord-Veluwe worden in deze variant gespaard van windclusters waardoor de natuur- en recreatiewaarden zo min mogelijk worden aangetast.
  • Deze variant zet sterk in op een nieuw perspectief voor de landbouwsector in de landbouwtransitie en het versterken van het kleinschalige landschap. De inzet van zonne-energie kan ondersteunend zijn aan deze ontwikkelingen.
  • Een sterk duurzaam en circulair imago voor bedrijfsterreinen H2O-Hattemerbroek en bedrijventerrein Lorentz door aanwezigheid van windturbines en zonnevelden in de buurt.

Belemmeringen

  • De verdeling van windturbines is niet evenredig over het gebied. Lorentz en Hattemerbroek dragen een belangrijk deel van de opwekking met wind.
  • De dorpsmolens liggen in een omgeving waar relatief veel mensen wonen. Draagvlak en acceptatie wordt naar verwachting bepalend als het gaat om de vraag of de turbines daadwerkelijk gerealiseerd kunnen worden.
  • Vanwege de aansluitkosten zijn de buurtturbines kleiner qua omvang en opwekking van elektriciteit; ze hebben daardoor een relatief smalle businesscase.
  • De buurtturbines liggen op of aan het bosrijke deel van de Noord-Veluwe; ook hier is vanwege de externe werking van Natura-2000 mogelijk sprake van impact op natuurwaarden en de kans is groot dat dit een belangrijke belemmering wordt.
  • Deze variant leunt vooral op zonne-energie, wat naar verwachting leidt tot hogere netwerkkosten.
  • De voorspelbaarheid van uitvoering is in deze variant minder door de grotere afhankelijkheid van lokale initiatieven.

Benodigde beleidsinspanning

  • Eigenaren van daken (bijvoorbeeld van stallen en bedrijven) en bedrijfsterreinen moeten worden gestimuleerd (subsidie, projecten) en geprikkeld (voorschriften, bouwbesluit) tot het investeren in zonne-energie.
  • Agrarische bedrijven die willen stoppen of juist willen transformeren, moeten een eenvoudige ruimtelijke procedure kunnen volgen waarbij zij een zonneveld mogen ontwikkelen. Dit als financiële motor voor de versnelling van de landbouwtransitie. Om dit te realiseren is een aanpassing van gemeentelijk ruimtelijk beleid nodig. Ook moet er een logische tariefstelling/prijsopbouw zijn voor zowel grote als kleine bedrijven, zodat zelf energie opwekken voor elk bedrijf rendabel is.
  • Een gebiedsproces starten waarbij dorpen en buurtschappen kijken naar de mogelijkheden voor een eigen buurtturbine of eigen zonnevelden in samenhang met versterking van het landschap en versterking van de gemeenschap.